logo
logo logo
logo logo
logo  
    Search

Risicofactoren

Continentie en mictie wordt gereguleerd door neuronale circuits die van de blaas via de sacrale plexus naar het ruggenmerg en de pontine kernen lopen. Het circuit bestaat uit een willekeurig (oa voor de sluitspier) en onwillekeurig deel.  

Dit circuit reguleert het afwisselend aan- en ontspannen van de sluitspier (via de n. pudendus), de bekkenbodemspieren en de blaasspier (m. detrusor) tijdens continentie en mictie. Dit circuit staat onder invloed van de hersenschors waardoor wij in staat zijn uitsluitend te plassen op sociaal gewenste plaatsen.

De m. detrusor wordt geactiveerd door binding van acetylcholine uit parasympathische zenuwen aan muscarinerge receptoren (type 3). Blokkade van deze receptoren door spasmolytica (oxybutinine, solifenacine) is een effectieve behandeling voor incontinentie.

In de urethra en prostaat bevinden zich receptoren voor de sympathische zenuwen welke het gladde spierweefsel hier contraheren. Blokkade van deze receptoren door selectieve Alpha 1 receptor blokkers (oa tamsulosine) kan bij mannen urineretentie door prostaathypertrofie doen verminderen.

Over het algemeen wordt urine incontinentie onderverdeeld in 5 categorieën:

  1. Stress: Door afgenomen weerstand rondom of van de sluitspier is de blaas niet in staat bij drukverhoging de urine vast te houden. Patiënten verliezen kleine beetjes bij kracht zetten (opstaan), hoesten, inspanning en persen. De belangrijkste risicofactor hiervoor zijn vaginale bevallingen in de voorgeschiedenis bij vrouwen en prostaat operaties bij mannen.
  2. Urge, ‘overactieve blaas’: De blaaswand musculatuur wordt al bij geringe vulling (200-300 cc) van de blaas of door andere cues (lopende kraan) geactiveerd. Patiënten voelen aandrang, maar zijn vervolgens niet in staat de urine op te houden.
    De mictie is frequent en bestaat uit kleine beetjes. Vaak presenteren patienten met urge klachten zich ook met obstipatie. Er lijkt geen directie oorzaak tussen beide te bestaan maar mogelijk dat neurologische factoren aan beide ten grondslag liggen.
  3. Gemengd stress en urge. Ongeveer 30% van de patiënten met incontinentie heeft kenmerken van beide types incontinentie. 
  4. Overloop (5-10%): Door overvulling van de blaas (bij blaasatonie en/of ernstige obstructie) verliest de patiënt continu kleine beetjes urine. Patiënten kunnen klagen over moeilijk (uit) te kunnen plassen.Overloop incontinentie is lastig te onderscheiden van urge incontinentie.
    Overloop incontinentie presenteert zich vooral bij de man en dan met name van incontienentie 's nachts. De etiologie van beide types overlappen en zij komen regelmatig tegelijkertijd voor, met name in de kwetsbare, geriatrische patiënt.
    1. Afhankelijk van het niveau van de neurologische schade ontstaat er een atone blaas of een overactieve blaas. Door coördinatie stoornissen van de neuronale circuits kan de sfincter gelijktijdig met de detrusor aanspannen en leiden tot retentie.
      Bij vrouwen is obstructie slechts zelden de oorzaak van incontinentie. Bij mannen met prostaathypertrofie is er vaak ook een overactieve blaas waardoor er incontinentie ontstaat.  
  5. Functionele incontinentie: Hierbij is er strikt genomen geen dysfunctioneren van het neuronale circuit of de musculatuur. De patiënt haalt door immobiliteit het toilet niet op tijd. Bij dementie wordt de incontinentie veroorzaakt door gestoorde waarneming, apraxie en niet meer kunnen beoordelen of er een gepaste situatie is voor mictie. Sedatie leidt ook tot een afgenomen waarneming.
    1. Polyurie (door bijvoorbeeld hyperglycaemie) stelt het continentie mechanisme op de proef en deze factor dient daarom meegenomen te worden bij de diagnostiek naar incontinentie. Rechts decompensatie is een factor bij nachtelijke incontinentie. Medicatie heeft effect op alle niveaus door polyurie, sedatie, retentie en afname van mobiliteit (zie Bijlage 1).

Voor een differentiaal diagnose per ziektebeeld verwijzen wij mede naar Bijlage 1

Screening

Login